De IJssellinie


IJssellinie is een naam die in de geschiedenis van Nederland meerdere malen is gegeven aan verdedigingswerken rondom de rivier de Gelderse IJssel. Een belangrijke IJssellinie speelde een rol in het rampjaar 1672, naast de (Oude) Hollandse Waterlinie. Ook in 1940 was er een verdedigingsgordel ingericht met de IJssel als basis. Dit artikel gaat over de IJssellinie van na 1945: een verdedigingslinie, gebouwd tussen 1951 en 1954, bedoeld om door inundatie van een deel van oostelijk Nederland het overige deel van Nederland te beschermen tegen een eventuele Russische invasie.

 

Na de Tweede Wereldoorlog hadden de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk hun strijdmachten fors ingekrompen. Hoewel de Sovjet-Unie haar leger ook gedemobiliseerd had, zou dat land, zo vreesde Het Westen, toch in korte tijd een overmacht aan conventionele troepen op de been kunnen brengen. De VS besloten daarom tot de strategie van de Peripheral Defense: bij het uitbreken van een oorlog zou men alle strijdkrachten geleidelijk op de Rijn terugnemen. Daar zou men dan halthouden - maar niet standhouden, want als uit de opbouw van het Rode Leger geconcludeerd moest worden tot een aanstaande overschrijdingspoging, voorzag men de preventieve evacuatie van de hoofdmacht naar Engeland, mogelijk gemaakt door het vertragend gevecht dat een dekkingsmacht vanuit de Ardennen zou voeren. Men wilde het conventioneel gevecht dus zoveel mogelijk ontlopen: de overwinning moest behaald worden door de steden en industrieën van de Sovjet-Unie te vernietigen door bombardementen met waterstofbommen vanuit de Britse eilanden, Spanje en Noord-Afrika.

De Nederlandse regering voelde een zeker onbehagen over deze strategie. In het algemeen stemde het droevig dat heel continentaal Europa aan de vijand zou worden gelaten. In het bijzonder leek het onaanvaardbaar dat de Randstad al meteen opgegeven zou worden. Men probeerde de bondgenoten er dus van te overtuigen dat de eerste verdediging al bij de IJssel gevoerd moest worden. De overtuigingskracht van Nederland was echter al even gering als de verdedigingskracht van zijn armoedig toegeruste leger (simply unfit for battle was het oordeel van opperbevelhebber Montgomery). Maar er was één wapen dat het gebrek aan overige wapens kon compenseren: het water.

 

De hoofdgedachte was dat door het volledig afdammen van de Waal en de Neder-Rijn al het water dat normaliter door die rivieren werd afgevoerd, de IJssel werd ingedrongen, die hierdoor niet alleen buiten zijn oevers zou treden, maar zelfs buiten zijn winterdijken. Hierdoor zou een gedeelte van Nederland, een strook met een breedte van 3 tot 15 kilometer van ongeveer IJsselmuiden ten noorden van Zwolle tot en met de Ooijpolder ten oosten van Nijmegen, geïnundeerd worden. Ook een fors deel van Duitsland zou bij grote waterafvoer onderlopen. Hierbij zou, zoals bij inundaties gebruikelijk, sprake zijn van een zorgvuldig gecontroleerd waterpeil: het water moest zo hoog zijn dat vijandelijke troepen niet meer over land zouden kunnen oprukken, maar niet zo hoog dat zij dat per (groter) schip zouden kunnen doen.

De aanleg van de IJssellinie bracht een aantal omvangrijke civieltechnische werken met zich mee, waarvan de voornaamste gevormd werd door drie stuwen: in de Neder-Rijn ter hoogte van Arnhem, in de Waal ter hoogte van Bemmel en in de IJssel ter hoogte van Olst. Het aanvankelijke plan voorzag in de aanleg van de eerstgenoemde twee werken, doch nadat uit berekeningen omtrent de toevoer van water bij diverse waterstanden was gebleken dat inundatie veel te langzaam zou geschieden, werd besloten ook bij Olst een stuw te plaatsen.

Bij de bouw moest rekening worden gehouden met de eis dat de normale waterafvoer van de rivieren, alsmede het scheepvaartverkeer daarover, in vredestijd zo min mogelijk gehinderd mocht worden. Tevens moest de bouw zo goedkoop mogelijk geschieden.

 

De stuwen bestonden uit twee pijlerdammen in de uiterwaarden, afgesloten door een landhoofd, en een caisson met beweegbare kleppen. De caisson zou bij oorlogsdreiging met lieren tussen de beide landhoofden worden getrokken en daarna worden afgezonken, waarna de kleppen zouden worden gesloten. De pijlerdammen bestonden uit een brug met beweegbare kleppen tussen de pijlers. Bij oorlogsdreiging zouden ook deze kleppen worden gesloten. Om de druk, die door het aanzwellende water werd uitgeoefend, te weerstaan zou stroomopwaarts een grote hoeveelheid zand worden opgespoten, terwijl stroomafwaarts een aantal daartoe te vorderen binnenvaartschepen tegen de caisson tot zinken zouden worden gebracht. Voor de caissons en de zandzuigers werden, onmiddellijk stroomopwaarts van de pijlerdammen, havens gegraven. Het gevolg van het afdammen van de Neder-Rijn en de Waal zou zijn dat de IJssel circa tienmaal zoveel water toegevoerd zou krijgen als normaal. Om te bereiken dat de inundatie zo snel mogelijk zou verlopen, werden op diverse plaatsen in de westelijke dijken van de IJssel in totaal 14 zogenaamde inlaatwerken gebouwd. In feite waren dit sluizen in de dijk, die in vredestijd afgesloten waren, en bij oorlogsdreiging geheel of gedeeltelijk konden worden geopend. Voorts waren op acht plaatsen - ook op de oostelijke dijken - voorzieningen getroffen om dijken op te blazen (zogenaamde springcoupures).

Aangezien het gevolg van het uitvoeren van de inundatie tevens zou zijn dat de Waal en de Neder-Rijn in korte tijd droog zouden komen te vallen, zou de zoetwatervoorziening in westelijk Nederland in gevaar komen. Om dit te voorkomen zou zoet water van het IJsselmeer naar Rotterdam worden geleid. Hiervoor waren diverse waterbouwkundige voorzieningen noodzakelijk.

Uiteraard zou het besluit tot inundatie grote gevolgen hebben voor het getroffen gebied. Rekening werd gehouden met een evacuatie van 410.000 personen.

 

Aan de IJssellinie werd zo weinig mogelijk ruchtbaarheid gegeven. De stuwen waren enigszins gecamoufleerd, doch vanaf de rivier uiteraard normaal zichtbaar. De belangstelling van de zijde van de bevolking leek echter gering te zijn, reeds getuige het feit dat de algemene bekendheid van deze waterlinie aanmerkelijk kleiner is dan die van de Hollandse Waterlinie. Radio Moskou bleek echter wel op de hoogte van het bestaan ervan.

 

De stuwen van de IJssellinie waren uiteraard zeer kwetsbaar voor bombardementen en beschietingen; daarom waren die voorzien van bewapening. Bij de landhoofden waren bunkers gebouwd, ruim voorzien van luchtdoelgeschut en mitrailleurs. Deze waren permanent bemand. In de te inunderen gebieden waren op diverse plaatsen geschutsopstellingen geplaatst. Grendelstellingen blokkeerden de dijklichamen van de hoofdwegen. Om budgettaire redenen was gekozen voor een sobere oplossing: het geschut bestond veelal uit een door de geallieerden achtergelaten tank (vaak van het type Sherman maar de Canadese RAM-tank werd ook gebruikt), die, ontdaan van de motor en andere voor de voortbeweging nodige delen, in beton werd ingegoten. De verblijven voor de geschutsbemanning waren beperkt tot het hoognodige. Bij een inundatie zouden zij voor onbepaalde tijd op zichzelf aangewezen zijn.

 

Toen begonnen werd met de aanleg van de IJssellinie verwierf ook de Sovjet-Unie zich de waterstofbom en brak de Koreaanse Oorlog uit. De VS konden niet meer hopen de Sovjet-Unie te verwoesten zonder te vrezen voor een gruwelijke vergelding. West-Europa moest dus conventioneel verdedigd worden. Met de productiecapaciteit voor moderne bewapening die in de Koreaanse Oorlog was gecreëerd, rustten de VS op hun kosten de legers van Frankrijk, België en ook Nederland geheel nieuw uit. De vijf bondgenoten werden hierdoor zo krachtig dat ze het Rode Leger konden laten leegbloeden tijdens zijn opmars door Duitsland. De Rijn-IJssellinie werd een onneembare stelling, hecht verankerd op zijn uiterste linkerflank waar het nu tienmaal sterkere Nederlandse Leger zich veilig kon wanen achter zijn modderzee.

 

Reeds in het begin van de jaren zestig verloor de IJssellinie zijn functie in de verdedigingsstrategie van de NAVO, toen na de vorming van de Bundeswehr de eerste verdedigingslijn naar het oosten werd verlegd. In 1964 werd besloten tot het opheffen van de linie en het ontmantelen van de diverse werken. Dit heeft enkele jaren in beslag genomen.

 

Olst:
Van de IJssellinie zijn in het landschap nog veel sporen aan te treffen. Op en rond het landgoed De Haere even ten zuiden van Olst zijn aan beide kanten van de IJssel over een groot gebied verspreid een aantal kazematten, bunkers en andere werken in gerenoveerde staat aanwezig. Ze maken deel uit van een museumproject. Er is een gemarkeerde wandelroute langs uitgezet.

 

Meinerswijk:
In Arnhem zijn in de uiterwaarden van Meinerswijk ook nog resten aanwezig zoals een pijlerdam, dijken in het landschap en kazematten met geschutskoepels van tanks uit de tweede wereldoorlog. Aan de overkant van de Nederrijn aan de Klinkelbeekseweg, alsmede op het terrein van 'Businesspark Arnhem' (KEMA-terrein) zijn ook nog geschutskoepels te vinden.

Bron: WikipediA